|
start
|


 |
Bavel: historie van een meer dan
700-jarige gehuchtenzwerm
|
het wapen van Bavel
In zilver een koe van keel, staande op een grasgrond van sinopel; een schildhoofd van keel, waarin drie naast elkaar geplaatste andrieskruisen van zilver. "De koe is het symbool van St. Brigida, de kerkpatroon van Bavel. De kruisjes zijn afgeleid van het wapen van Breda. |
|

|
Al heel lang draait het in de
wereld om geld. Als het om het ontstaan van dorpen en steden gaat, dan moeten we
eigenlijk alleen maar het spoor van het geld volgen en van de oude stukken die
over geld gaan.

een oud dorpsgezicht
Met het schriftelijk vastleggen van
financiële transacties kondigen de secretarissen van de Middeleeuwen vaak
tegelijkertijd de geboorte van nieuwe nederzettingen aan. Dat zullen ze zich
toen niet bewust zijn geweest, maar het is makkelijk voor de geschiedvorsers van
nu.
Bavel is een typisch voorbeeld van een dorp dat in de marge van een financiële
akte opduikt in onze geschiedenis. Bavel viert dit jaar het feit dat het
zevenhonderd jaar geleden voor het eerst genoemd werd in een officieel document.
Dat stuk, opgesteld in mei van het jaar 1299, ging over de verdeling van
inkomsten uit de parochie Gilze. Niet alleen de pastoor van Gilze had er mee van
doen, maar ook de abdij van Thorn.
Onderwerp van discussie waren onder andere het recht om een tiende deel van de
oogst van Bavel, Tervoort en Lijndonk te mogen innen. Vierendertig jaar eerder
werd al eens een soortgelijk document opgemaakt, maar toen was Bavel kennelijk
nog niet noemenswaardig. Ergens in die periode moet er iets gebeurd zijn
waardoor Bavel als nederzetting plotseling enig belang kreeg.
|
Het wapen van Nieuw-Ginneken
 |
Oorsprong/verklaring :
Het wapen is een combinatie van de symbolen van de kerkpatroon van Ulvenhout (St.Laurentius, rooster), de kerkpatroon van Bavel (St.Brigida, koe) en de kruisjes van de baronie van Breda. Het wapen werd al als zodanig vermeld in 1744.
Het wapen is overgenomen door de gemeente Nieuw Ginneken. |
Dat is niet
verbazingwekkend. In de periode van 1250 tot 1350 maakte westelijk Noord-Brabant
een enorme ontwikkeling door. Er ontstonden toen heel wat dorpen en gehuchten.
Bestaande wooncentra groeiden verder.
Bavel is er blijkbaar één uit die reeks. Het jubileum wordt deze herfst
gevierd. Dat nodigt uit tot wat extra aandacht voor Bavel als volledig
dorpsgebied.
Bavel beslaat een uitgestrekt gebied tussen Breda en Gilze, tussen Dorst (dat
tot Oosterhout behoort) en Geersbroek onder Ulvenhout. Voor zover we weten, is
er nooit een echte dorpskern geweest. Bavel is een typisch voorbeeld van een
gehuchtenzwerm, waarvan de bewoners samen een dorpsgemeenschap vormden.
Dat patroon was heel algemeen op de Brabantse zandgronden. De mensen van Bavel
woonden in gehuchten als Kerkeind, Tervoort, Lijndonk, Lage Aard, Bolberg,
Eikberg, IJpelaar, IJpelaarseind en bij de kerk.
Bijna al die gehuchten bestonden uit een zwerm boerderijen en huizen zonder een
echte aaneengesloten concentratie van woningen. Dit nederzettingspatroon, dat
Bavel nog tot 1960 kenmerkte, wordt ook wel de 'nevelvleknederzetting' genoemd.

de Brigidastraat rond 1920
Beekjes
Bavel ligt op de westelijke flank van
de rug die van Turnhout over Baarle, Alphen en Gilze naar Den Hout loopt. In het
zuidoosten ligt de bodem op ongeveer 9+NAP. Op de flank ontspringen enkele
beekjes die ruwweg naar het noordwesten stromen, maar die onderweg, door
dekzandruggen soms een tijdje in een andere richting geduwd worden. De meest
oostelijke van deze beekjes is de Molenschotse Lei.
Midden door Bavel loopt de Gilze Wouwerbeek, terwijl het westelijke beekje
bekend staat als de Broekloop. Deze nam bij Wolfslaar een beek op uit het
Bavelsbroek en heette van daaraf de Bavelse Lei. De Molenlei neemt het water op
van de Molenschotse Lei en de Gilze Wouwerbeek, maar ook de inhoud van een
beekje dat uit Beerschot bij Dorst komt. De Molenlei stroomt aldus aangevuld
verder westwaarts.
De gehuchten die samen het dorp Bavel gevormd hebben, liggen op ruggen tussen de
beken en op hoogten die hier meestal berg of donk genoemd worden. De slecht
ontwaterde stroken grond tussen die ruggen waren vaak moerassig.
Binnen de gehuchtenring
Kerkeind, Kerk, Bolberg en Tervoort lag het lege gebied De Beemd ingesloten.
De naam Bavel wordt verklaard als 'het bos van Bavo'. Maar wie is Bavo? Vrome
zielen zien er graag niemand minder in dan de Gentse Sint Baaf, u weet wel, van
die beroemde abdij daar. De archieven van die abdij zijn goed bewaard en heel
precies uitgeplozen, maar dat leverde helemaal niets op dat naar Bavel verwijst.
De heilige Bavo was in onze streken bij de bevolking wel bekend. Op zijn
feestdag moest men vaak wat penningen aan de rentmeester van de Heer van Breda
betalen. Dat oude gebruik kwam in veel dorpen voor en had niet speciaal met het
dorp Bavel te maken.
Jan van Bavel
Nu ligt er in het Belgische
Rijkevorsel ook een gehucht dat Bavel heet. Misschien biedt dat nieuwe
gezichtspunten? Het Rijkevorselse gehucht is ontstaan doordat bij de boerderij
van de rijkste boer uit de vijftiende eeuw wat knechtenvolk ging wonen.
Wie was die rijke boer die veruit de meeste belasting betaalde uit de hele
omgeving? Precies, ene Jan van Bavel! Of lezen we in de stukken misschien Van
Bouwel? Mogelijk is het een gemigreerde zoon uit ons Brabantse Bavel geweest die
het daar bij de zuiderburen goed deed?
Hoe dan ook, dat helpt nog niet om de naam Bavel te verklaren. Voorlopig moeten
we het er maar op houden dat het bos en dus het dorp, is genoemd naar een
vroegere boer Bavo. Om met de woorden van zanger Miel Cools te spreken, zo
eentje met 'een ring in zijn neus en een ring om zijn poot'.
De kerk in Bavel, dat is een verhaal apart. In zeven eeuwen hebben de
katholieken van Bavel op vijf verschillende plaatsen gekerkt. De eerste kerk van
Bavel lijkt in de omgeving van de huidige molen De Hoop te hebben gestaan.
Op het eind van Middeleeuwen, in 1488, werd de tweede kerk een eind naar het
zuidoosten gebouwd, waar nu nog een kerkhof ligt. Die kerk, gewijd aan de H.
Brigida zou vierhonderd jaar dienst doen. Niet alleen voor de katholieken, maar
ook voor de protestanten die er na het eind van de Tachtigjarige Oorlog het
bezit van kregen.
De zogenaamde godsdienstvrijheid van de Republiek dwong de katholieken uit te
wijken naar een schuurkerk. Ook het kasteel IJpelaar deed lange tijd dienst als
katholiek godshuis. In 1888 kwam de huidige kerk gereed, weer op een wat andere
plaats. Toch bleef er steeds een bindend element. Al die eeuwen luidde in Bavel
een en dezelfde kerkklok: de Brigidaklok uit 1463.
De 'hoofdnederzettingen' van Bavel lagen in de negentiende eeuw bij de kerk en
bij de plek waar de eerste kerk gestaan moet hebben. Ze telden respectievelijk
twaalf en acht huizen en hoeven. Veel stelde dat dus niet voor.
Tegen 1970 was die straat veel dichter bebouwd geraakt (thans zeventig
huisnummers). Veel was het nog steeds niet. Pas nadien zijn er echt woonwijken
bijgebouwd en kreeg Bavel-centrum het karakter van een fors dorp.

herberg "de leurige tap"
Parochie
In het Bavelsbroek plantte Breda de
woonwijk IJpelaar, terwijl het gehucht Heusdenhout haast geheel in een andere
nieuwe stadswijk verdween. Het resterende platteland van Bavel bleef een gebied
van gehuchten en verspreide boerderijen.
Bavel bestond als parochie, maar een eigen gemeente is het nooit geworden. Het
hoorde voor 1800 onder de schepenbank van 'Ginneken en Bavel' en werd nadien
onderdeel van de gelijknamige gemeente.
In 1942 verloor Bavel veel grondgebied aan Breda, terwijl het restant
Nieuw-Ginneken ging heten. Op 1 januari 1997 tenslotte voltrok zich het
onvermijdelijke en slokte Breda ook het overgebleven Bavel op.
Al vóór 1669 werd een groot deel van Bavel ontgonnen. De meeste akkerpercelen
zijn tot 1900 door levende hagen omgeven gebleven. In het grasland overheersten
de sloten. Bij de huidige kerk van Bavel lag een kleine open akker.
Misschien dat we daar dan toch het eerste begin van Bavel moeten zoeken. Langs
de oostgrens moet er in die tijd een zone met heide gelegen hebben. In de jaren
1551 tot 1564 was hier een brede strook heide beplant met bos.
Boeren-pioniers stichtten op de resterende heidegronden hoeven zoals de
Leeuwerik. Een oudere heidehoeve is de Woestenbergse Hoef, nu de Mariahoeve. Op
de heide lag, net over de grens met Gilze, de Gilze Wouwer.
Daar was al eerder een deel van het beekdal afgedamd, zodat er een reeks
visvijvers ontstond. Hier haalde de heer van Breda in de Middeleeuwen zijn
maaltje vis vandaan. Het oude cultuurland van Bavel was ruim en aaneengesloten.

het dodenhuisje op het kerkhof
Veeteelt
Verplaatsen we ons naar de tijd voor
1800 dan zien we op de hogere gronden de akkers. Op de lagere plekken overheerst
het gras. Hier en daar ligt wat verstrooid bos, bijvoorbeeld het uit de
Middeleeuwen stammende Lindenhout.
Bavel ontwikkelt zich als een echte agrarische gemeenschap met voornamelijk
gemengde bedrijfsvoering. Dat wil zeggen veeteelt, akkerbouw en grasteelt voor
hooi. Een eigen molen heeft Bavel voor 1800 nog niet. De boeren van Bavel moeten
in de periode van 1650 tot 1800 gebruik maken van de molen op de Goudsberg bij
Strijbeek.
We mogen veronderstellen dat menigeen wel stiekem is uitgeweken naar de molen in
Zandbergen of naar die van Gilze. Na 1800 krijgt Bavel dichterbij de eerste
windmolen. Dat is De Fortuin, opgericht aan de oostkant van Ginneken, aan de
Bavelselaan. In 1865 volgt de bouw van een eigen molen voor Bavel: de nog altijd
bestaande windkorenmolen De Hoop.
Een andere belangrijke agrarische activiteit is de oprichting van een coöperatieve
stoomzuivelfabriek in 1900 in de herberg van Cornelis Bruininkx. Negenentachtig
deelnemers brachten met elkaar 493 koeien in. Dat is gemiddeld iets meer dan
vijf koeien per boer!
De fabriek startte in 1901 met een stoommachine van 8 pk. Jarenlang lieten de
heren bestuurders zich bij de vergaderingen worstenbrood met koffie serveren,
een traditie die pas in 1970 in onbruik raakte.
In die jaren boterde het in de zuivel al lang niet meer. Melk- en boterfabrieken
fuseerden en in 1978 kocht de Bredase makelaar Stok het complex van de coöperatieve
van Bavel op. Nu staan er woningen. Bavel ligt dicht bij Breda. We treffen er
daarom ook elementen van het Bredase landgoederen-landschap aan.

landhuis klein ijpelaar
IJpelaar was een
middeleeuws kasteeltje met hoeven. Het ontwikkelde zich later tot een landgoed
met erg lange lanen. De katholieke kerk vestigde er een seminarie, een rooms
bolwerk dat later nog werd uitgebreid met een klooster op de Nieuwe IJpelaar.
Iets verderop, net in Heusdenhout, kunnen we nog steeds het Huis Weilust vinden.
Wolfslaar groeide in 1690 uit tot een landgoed en een eeuw later gebeurde
hetzelfde met de hoeve de Leeuwerik. Van dat laatste is helaas niets meer te
zien.
Nat weidegebied
De wijk IJpelaar die nu iedere
Bredanaar kent, is gebouwd in het gebied Bavelsbroek. Dat was in oorsprong een
nat weidegebied dat tot rond 1650 in gemeenschappelijk gebruik was bij de
Bavelse boeren, als extra grasland. Het werd toen weliswaar ontgonnen, maar niet
bewoond. De inrichting van het gebied, naar een ontwerp van Christoffel Verhoff,
paste goed in het landgoederenlandschap. Ook het Sint Annabos kan als element
van dat aloude landschap worden gezien.
| uit de folder "feiten & cijfers van de gemeente
Breda 2003.
Wonen
Breda kenmerkt zich door een prettig woon- en leefklimaat. Zo wordt er hard gewerkt aan het verbeteren van de woonkwaliteit van bestaande woonwijken. In Breda Noord-Oost (Hoge Vucht en Liniekwartier) en in Heuvel zijn ontwikkelingsplannen gemaakt. Tussen Bavel en Breda verrijst een nieuwe woonwijk, Nieuw Wolfslaar. De bouw van 750 woningen bevindt zich inmiddels in de tweede fase. Daarnaast komen er in Breda Noord- Oost/Teteringen circa 2.600 nieuwe woningen, waardoor het inwonertal van Teteringen meer dan verdubbeld wordt. In Kroeten, Haagse Beemden, zijn circa 850 woningen gebouwd. Dankzij stadsvernieuwingsprojecten in en rond de binnenstad is een groot deel van de oudere woningen op een kwalitatief hoog niveau gebracht. Ook het Chassépark, voormalig militair terrein, maakt onderdeel uit van de binnenstad. Deze nieuwbouwlocatie heeft qua stedenbouwkundige opzet veel aandacht gekregen. Ulvenhout en Bavel hebben de landelijke aard van de buitengebieden behouden.
|
|
|